Navigatie

 

De behoefte van studenten aan een bijdrage van hun ouders

Met ingang van 1 september 2015 is de Wet Studiefinanciering 2000 gewijzigd. De basisbeurs voor studenten met een HBO en WO opleiding is afgeschaft (voor MBO studenten is deze blijven bestaan). De basisbeurs, en daarmee het onderdeel van de studiefinanciering waarop voorheen geen terugbetalingsverplichting rustte, is voor HBO en WO studenten komen te vervallen.

Studenten met minder draagkrachtige ouders kunnen in aanmerking komen voor een aanvullende beurs in de vorm van een lening. Deze aanvullende beurs wordt een gift als de studie binnen 10 jaar wordt afgerond. Een student kan ook aanspraak maken op een collegegeldkrediet, waarop een terugbetalingsverplichting rust.

Deze wijzigingen in het studiefinancieringsstelsel brengen veranderingen met zich mee ten aanzien van de behoeftebepaling van jongmeerderjarigen.

Behoeftigheid

De onderhoudsplicht voor kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW jo 1:392 lid 2 BW) bestaat voor jongmeerderjarigen ongeacht de behoeftigheid van de jongmeerderjarige. Eigen inkomsten (indien deze beperkt zijn en het redelijk is dat deze inkomsten als zakgeld, vrij ter beschikking staan aan de jongmeerderjarige) of de mogelijkheid om een studielening aan te gaan doen geen afbreuk aan de onderhoudsverplichting.

Behoefte

Bij de vaststelling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige, moet echter wel sprake zijn van behoefte aan een bijdrage (artikel 1:397 BW).

Slechts af en toe wordt de behoefte van de jongmeerderjarige (in de jurisprudentie) bepaald op basis van de NIBUD-Tabellen, welke ook voor minderjarige kinderen gelden. Eigenlijk is dit niet passend, zelfs niet wanneer het gaat om een niet-studerende jongmeerderjarige, immers in die tabellen is kinderbijslag verdisconteerd en na het bereiken van de 18-jarige leeftijd kunnen kosten voor premies zorgverzekering spelen (uitspraak Hoge Raad 4 oktober 2013).

De Expertgroep alimentatienormen stelt dat het, voor het vaststellen van de behoefte van studerende jongmeerderjarigen, raadzaam lijkt bij de WSF-norm (wet studiefinanciering) aansluiting te zoeken. Omdat de WSF-norm onderverdeeld is in verschillende posten (kosten voor levensonderhoud, studie, en premie ziektekostenverzekering). Derhalve kunnen ook correcties op die posten toegepast worden. In de jurisprudentie wordt evenwel ook regelmatig aansluiting gezocht bij de werkelijke kosten van de jongmeerderjarige voor het berekenen van de behoefte

De WSF–norm wordt door sommige rechters ook toegepast bij jongmeerderjarigen die thuis wonen en niet studeren (Het Hof Arnhem-Leeuwarden 11 februari 2014). Dan kunnen kosten voor lesgeld, boeken en leermiddelen met de kosten voor een middelbare scholier vervangen worden. Maar het is raadzaam in zo’n geval de behoefte inzichtelijk te maken door een overzicht van werkelijke kosten op te stellen. In de tremanormen 2016 is daartoe ook een aanbeveling opgenomen.

Toepassen van de WSF norm

De behoefte kan vastgesteld worden door de in artikel 3.18 WSF gehanteerde normbedragen bij elkaar op te tellen. Het totaalbedrag werd gevormd door:

–          de basisbeurs

–          de maximale aanvullende beurs of lening

–          de basislening

 

Behoefte verlagend

Op dit totaalbedrag werd het deel van de studiefinanciering dat niet terugbetaald hoefde te worden in mindering gebracht. Voor MBO studenten is dit nog steeds de basisbeurs en wordt ook nog steeds onderscheid gemaakt in uit- en thuiswonende studenten. Voor HBO en WO studenten is dit niet langer het geval.

Wanneer dezelfde berekeningssystematiek zou worden gevolgd onder de nieuwe wetgeving, dan is de behoefte van HBO en WO studenten na 1 september 2015 veel hoger dan voorheen, omdat de basisbeurs als lening níet behoefte verlagend werkt. Wanneer de hogere behoefte wordt aangenomen, is het de vraag of dit nadeel volledig voor rekening van de ouder(s) dient te komen, of ook (gedeeltelijk) voor de jongmeerderjarige.

De aanbevelingen van de Expertgroep zijn in 2016 wel gewijzigd, maar geven nog niet veel duidelijkheid over de wijze waarop omgegaan moet worden met de Wet Studiefinanciering 2000. De tekst lijkt tegenstrijdig te zijn.

“De basis- en aanvullende beurs worden als behoefte verlagend aangemerkt. Ten slotte kan een student aanspraak maken op een rentedragende lening die, gelet op de terugbetalingsverplichting, niet als behoefte verlagend dient te worden beschouwd.”

Voor de behoeftebepaling van jongmeerderjarigen studenten (HBO en WO) kan men, zoals het er nu uit ziet, het normbedrag van € 862,50 (2016) hanteren. Vervolgens dienen echter wel correcties toegepast te worden.

Indien aan een jongmeerderjarige een aanvullende lening wordt verstrekt op basis van het inkomen van diens ouders, welke omgezet kan worden in een gift, dient deze aanvullende lening op het normbedrag in mindering te worden gebracht.

Het bedrag aan zorgtoeslag waarop een jongmeerderjarige recht heeft, wordt doorgaans ook in mindering gebracht op het behoeftebedrag. In een enkel geval vermindert de zorgtoeslag de behoefte niet, nu deze toeslag geacht wordt een aanvullend karakter te hebben.

Ook indien een jongmeerderjarige bepaalde kosten die in het normbedrag opgenomen zijn in werkelijkheid niet maakt, dient het bedrag aangepast te worden. Wanneer bijvoorbeeld geen huur door de jongmeerderjarige wordt betaald, strekt deze post in mindering op de WSF-norm (voor een uitwonende studenten bij MBO). In geval van HBO en WO is het redelijk onderscheid te maken tussen uit- en thuiswonend door voor thuiswonende studenten een gemiddelde huurprijs in mindering te brengen op het normbedrag;

Indien een jongmeerderjarige een Wajonguitkering ontvangt vermindert dit de behoefte. Van de jongmeerderjarige wordt verwacht dat daarmee in de kosten van het levensonderhoud wordt voorzien en dat geen behoefte aan een bijdrage resteert.

Afhankelijk van de omvang van eigen inkomsten van een jongmeerderjarige kunnen deze (gedeeltelijk) in mindering strekken op de WSF norm.

Behoefte verhogend

In de rechtspraak zijn wel aanknopingspunten om de WSF–norm te verhogen met het collegegeldkrediet, met de motivering dat in de norm voor de kosten van levensonderhoud met collegegeld nog geen rekening is gehouden. Het is echter nog bepaald niet zo dat daarin een duidelijke lijn is ontstaan. De vraag of het collegegeldkrediet in aanmerking dient te worden genomen bij de behoeftebepaling is in zijn algemeenheid nog niet beantwoord.

Heeft u vragen over een bijdrage in het levensonderhoud, neem dan gerust contact op.

Anneloes van Tuijn

Ontvang onze gratis juridische tips
Van Zinnicq Bergmann advocaten publiceert regelmatig een gratis e-mail-nieuwsbrief met daarin juridische tips. Wil je als eerste op de hoogte zijn? Schrijf je nu in!

Nieuwsbrief

  • Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.